STEM-monitor

Ook benieuwd naar de evoluties binnen het STEM-onderwijs?

Download de STEM-MONITOR

We zetten enkele conclusies alvast voor je op een rij:

  1. De 5 doelstellingen van het STEM-actieplan 2012-2020 lijken medio 2018 zeker haalbaar, indien het huidige groeitempo zich voortzet. Er is inderdaad een blijvende evolutie merkbaar in de richting van de vooropgestelde kwantitatieve doelstellingen voor wat betreft een hogere instroom in STEM-richtingen.
  2. In het referentiejaar 2016-2017 werden net als vorig jaar twee van de 5 doelstellingen reeds gehaald.
  3. De evoluties verschillen echter sterk tussen de verschillende onderwijsvormen.
  4. In het hoger onderwijs is er in 2016-2017 een duidelijk verschil tussen de professionele bachelor (stagnering op 26,41 % (wat wel bijna 3 % groei is t.o.v. de nulmeting) en de academische bachelor waar we in 2016-2017 34,41 % meten (2015-2016: 34,47%) – tegenover de nulmeting is er een groei met 3 %.
  5. Het aandeel meisjes dat instroomt in de professionele bachelor daalt in 2016-2017 voor het eerst (in 2015-2016 bedroeg hun aandeel 23,63%, in 2016-2017 was dat 22,88%).
  6. In de academische master maken de meisjesstudenten een sprong van 38,58% (2015-2016) naar 40,27% (2016- 2017). De reeds gehaalde doelstelling wordt nu dus ruim overschreden. De doelstelling voor 2020 was 33,50%.
  7. In het secundair onderwijs stijgt het percentage leerlingen dat voor STEM kiest vooral in het aso.
  8. In het tso stijgt het percentage leerlingen in STEM-studierichtingen zowel in de tweede als in de derde graad t.o.v. 2015-2016 met bijna 0,7 procentpunt (eerste leerjaar van de tweede graad: van 37,65% naar 38,31%, eerste leerjaar van de derde graad: van 40,21% naar 40,88%). Hopelijk is de kentering ingezet. Het is van belang om in tso de studierichtingen die onder druk staan, nader op te volgen.
  9. In bso zien we in de tweede graad weliswaar nog een stijging t.o.v. de nulmeting met 1 procentpunt tot 41,49%, maar in de derde graad zien we een daling met 0,85 procentpunt. T.o.v. 2015-2016 is er nu ook in de tweede graad een daling. Dit verdient opvolging!
  10. Het aandeel meisjes in STEM-studierichtingen neemt toe maar blijft over het algemeen lager dan het aandeel jongens. In tso en bso blijft het aandeel meisjes in STEM zeer laag (tso) tot extreem laag (bso).
  11. Ook de tendens qua uitstroom van leerlingen met een STEM-diploma van de afgelopen jaren zet zich door. Meer dan de helft van de leerlingen in aso behaalt een STEM-diploma (54,69%). De daling van het percentage STEM- studiebewijzen binnen bso vraagt bijzondere aandacht (- 1,19 procentpunt t.o.v. de nulmeting). Ook het tso dient opgevolgd: het percentage STEM-studiebewijzen is er ongeveer identiek als bij de nulmeting.
  12. Het aantal leerlingen met een STEM-studiebewijs secundair dat doorstroomt naar een STEM-richting in het hoger onderwijs daalt voor het eerst met 1,3 procentpunt, maar t.o.v. de nulmeting zien we nog altijd een stijging met 2,6 procentpunt.
  13. De prestaties voor STEM in het hoger onderwijs (studierendement) verschillen nauwelijks van de prestaties van niet-STEM studenten.
  14. Het STEM-studierendement is sinds de nulmeting globaal afgenomen. Deze daling is vooral te wijten aan een daling van het studierendement in de STEM-professionele bacheloropleidingen. Bij de academische STEM-opleidingen (bachelor en master) is het studierendement van STEM-studenten hoger dan dat van de andere studenten.